Deel 2: Thomson buitengaats

  1. Thomson’s “Kaart van het gebied bezet in Groot-Atjeh” (collectie G. de Vries, Heveadorp)
  2. Ridderkruis 4e Klasse van de Militaire Willemsorde (IMG, Den Haag)
  3. Thomson als militair waarnemer in Zuid-Afrika (3e van links) (IMG, Den Haag)

Van 1894 tot 1896 is hij geplaatst bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Thomson neemt deel aan de krijgsverrichtingen in Atjeh. Voor zijn moedige optreden wordt hij onderscheiden (B). Jaren later kritiseert hij, in de Tweede Kamer, dergelijke acties ter bestrijding van de ‘djihaad’ tegen het koloniale bewind. In de zitting van 9 november 1906 kapittelt Thomson het ’sabelregime’ van generaal Van Dalen en blikt ook zelfkritisch terug. Alleen vermeerdering van troepen kan eigen terreur terugdringen en de inheemse bevolking beschermen.
In 1897 verschijnt zijn Atjeh-kaart (A), bestemd voor het grote publiek. Hoewel Thomson is opgeleid tot cartograaf bestempelt het Topografisch Bureau in Batavia, dat zelf een Atjeh-kaart in de planning heeft, hem denigrerend tot ‘compilateur’. De Militaire Gids van 1898 reageert: beter een voorlopige kaart dan voorlopig geen kaart.

In 1899 volgt zijn uitzending als waarnemer van de Boeren-oorlogen. Foto C toont hem temidden van collega-waarnemers uit de USA, Noorwegen, Frankrijk en Rusland. In de “Lessen uit den Zuidafrikaanschen Oorlog” van 1902 stelt hij dat de moderne bewapening met snelvuurgeschut, mitrailleurs en klein kaliber vuurwapens met rookloos kruit noodzaakt tot een vroegere verspreiding van grote eenheden dan voorheen het geval was. Omdat hogere commandanten daardoor minder contact met hun troepen hebben, wordt het eigen initiatief van lagere commandanten en minderen nu zeer belangrijk. De in zijn ogen te strenge ‘Pruisische’ discipline in het Nederlandse leger moet dus plaats maken voor de vorming van slagvaardige soldaten die zelfstandig kunnen handelen binnen het grote geheel.