3. Mellah van Marrakesh

De stad Marrakesh wordt in 1062 gesticht door de eerste emir van de berberdynastie der Almoraviden. De joden uit het Atlasgebergte mogen daar eeuwenlang wel handel drijven, maar niet wonen. In de zestiende eeuw neemt het aantal joden sterk toe door de komst van verdreven sefardim uit Spanje en Portugal. Daarop bepaalt de sultan in 1557 dat de joden in zijn hoofdstad bij het paleiskwartier in een apart ommuurde wijk, de Mellah, moeten wonen (onder het midden van de kaart). De naam is afgeleid van ‘malh’, het Arabische woord voor zout, aangezien veel joden in de zouthandel werken.

Volgens de islamitische wet zijn joden (en christenen) tweederangs onderdanen; ze worden beschermd, maar moeten extra belasting betalen. Ook mogen zij geen wapens dragen en moeten zij zich in hun kleding onderscheiden van moslims. In de joodse wijken gelden de rabbinale regels. De Mellah van Marrakesh omvat een van de grootste joodse gemeenschappen van Marokko, met synagogen en scholen, herbergen en winkeltjes. Op haar begraafplaats, vol witte zerken met hebreeuwse inscripties, worden 11 joodse tsaddiks (rechtvaardigen, vromen) vereerd.

Lambert, Paul, Plan de la Ville de Maroc (la Rouge), uit: Bulletin de la Société de géographie, Parijs 1868

Lambert, Paul, Plan de la Ville de Maroc (la Rouge), uit: Bulletin de la Société de géographie, Parijs 1868