1. Joden in Leiden

De joodse aanwezigheid in Leiden begint in de zeventiende eeuw met enkele sefardische joden aan de universiteit die meestal geneeskunde studeren. Rond 1660 woont er een rabbijn in de stad, die vermoedelijk Hebreeuws en judaïstiek doceert. Begin 18de eeuw verwerven joodse kooplieden het poorterschap van de stad. Zo ontstaat een asjkenazische joodse gemeenschap die aanvankelijk diensten houdt in een privé-huis. In 1723 koopt men een pand aan de gracht ‘het Levendaal’ en gebruikt het als bedehuis; het wordt in 1762 vervangen door een nieuwe synagoge.

Tweede helft 18de eeuw neemt het aantal joodse migranten uit Oost-Europa ondanks beperkende maatregelen toe. In 1796 krijgen de joden, ook in Leiden, gelijke burgerrechten. Van 1737 tot 1809 groeit de joodse gemeenschap van 125 tot 288 personen, merendeels kleinhandelaren, uitdragers en verkopers van oude kleren en hoeden. De ontploffing van het kruitschip in 1807 verwoest ook het joodse schooltje, 19 kinderen komen om. De synagoge raakt eveneens zwaar beschadigd en wordt provisorisch gerestaureerd. Als centrum van de omliggende gemeenten wordt de Leidse sjoel een zogenaamde ringsynagoge, in het ressort Den Haag. Elk ressort (vgl. provincie) heeft een opperrabbijn. Het ‘Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap’ is de landelijke koepel.

Sinds de grote renovatie van 1857 bevindt zich boven de ingang van de synagoge een gevelsteen met de Hebreeuwse inscriptie: ‘De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter worden dan de vorige, zegt de Heer der heerscharen’ (Haggaï 2:10). Het hier getoonde fragment van de grootste kaart van Leiden ooit, toont de ‘Israelitische kerk’ aan de gracht ‘het Levendaal’ en de ‘Jodenkerk Steeg’. De 427 joden die Leiden in 1899 telt wonen vooral in de directe omgeving van hun sjoel. Naast kerkbestuur en kerkenraad zijn er ook genootschappen actief die zorg dragen voor begrafenissen, ziekenbezoek en liefdadigheid, er is een vereniging voor de opvang van migranten en een joods weeshuis.

Door ‘ontkerkelijking’ en vertrek naar Amsterdam neemt het aantal gemeenteleden in de stad af tot 341 in 1930, maar dit wordt gecompenseerd door een toename van joden in Wassenaar, dat tot 1927 bij het gebied van de Leidse gemeente hoort. De zionistische beweging is ook in Leiden actief, met name onder jongeren en studenten. In de jaren dertig neemt de joodse gemeente in Leiden zo’n 260 Duitse vluchtelingen voor korte of lange tijd onder haar hoede. Geen gemakkelijke opgave, bovendien beschouwt de Nederlandse regering sinds 1937 elke nieuwe vluchteling als ‘ongewenscht element’.

Als eind 1940 de Duitse bezettingsmacht de joodse hoogleraren ontslaat, houdt professor Cleveringa een protestrede. Studenten staken, daarop wordt de Leidse universiteit gesloten. Tussen juni 1942 en maart 1943 worden alle joden uit Leiden die niet weten onder te duiken gedeporteerd. Het laatst wordt het joodse weeshuis door Leidse agenten en ‘Grüne Polizei’ ontruimd: 51 kinderen en 9 stafleden gaan op transport. Op vier na komen ze in Duitse concentratiekampen om. In 1942 telt de Nederlands-Israëlitische Gemeente Leiden (inclusief haar dertien randgemeenten) bijna vijfhonderd leden; van hen worden er 271 vermoord. De Leidse synagoge raakt, na de laatste gebedsdienst in september 1942, zwaar beschadigd en geplunderd door NSB’ers. Een aantal voorwerpen kan tijdig veilig worden gesteld in museum de Lakenhal, het Gemeentearchief en bij particulieren. Na de oorlog komen slechts 113 joden uit kampen of de onderduik terug naar Leiden.

De gemeente herstelt langzaam en moeizaam van de ongekende klap. Na de oorlog neemt het aantal leden verder af door emigratie naar Israël of Amerika. Vanaf 1947 wordt de synagoge aan het Levendaal weer gebruikt, maar haar bouwkundige staat verslechtert snel. In 1977-78 kan de synagoge gerestaureerd en haar interieur wordt verrijkt met meubilair en lichtkronen afkomstig uit een Haagse synagoge. Zij heeft nu de status van rijksmonument. De trots van de gemeente vormen haar zeven parochot, de prachtig geborduurde voorhangsels die een scheiding vormen tussen de Arke (de kast met de Thora-rollen) en de gebedsruimte. Drie zijn uit Leiden zelf en vier komen uit de verdwenen synagogen van Heenvliet, Middelharnis, Ommen en Hoorn (zie de 4 volgende kaartjes). Ze zijn inmiddels met veel zorg geconserveerd.

Sinds 1983 voorziet het Joods Studiecentrum naast de synagoge in de behoefte van joodse studenten tot verdieping van hun kennis van het jodendom. Haar cursussen zijn ook toegankelijk voor een breed publiek. De orthodoxe gemeente van Leiden telt nu zo’n 60 leden, zij vormt een klein maar bloeiend joods centrum in de sleutelstad.

Leiden

Campen, H.L.A. van, kaart van Leiden, (uitsnede blad 14)
Leiden 1899