Zeven eeuwen na zijn dood is Ahmad Ibn Taymiyya (1263-1328) een van de meest invloedrijke klassieke soennitische moefti’s. Deze sjeich ul-islam wordt tegenwoordig door radicale moslims, islamologen én terrorismebestrijders getypeerd als patroon van het salafi-jihadisme. Om zijn grote invloed te schetsen geef ik korte voorbeelden uit elk van die groepen. Als tegenwicht analyseer ik daarna enkele van zijn anti-mongolen fatwa’s. Tot slot bespreek ik kort de betekenis van Ibn Taymiyya’s ‘middenweg’ voor nu.
Invloed van Ibn Taymiyya
Het eerste voorbeeld over Ibn Taymiyya als patroon van de extreme islam komt uit een geschrift van de Egyptische elektricien Mohammed Faraj, de inspirator van de moordenaars van president Sadat. In zijn De verzaakte plicht uit 1981 vergelijkt Faraj moderne moslimheersers met de tot de islam bekeerde Mongoolse vorsten die rond 1300 Syrië binnenvallen. Zij zijn door Ibn Taymiyya in enkele fatwa’s tot ‘afvalligen’ bestempeld waartegen de jihad moet worden gevoerd. Het tweede voorbeeld speelt twintig jaar later als sjeik Abd al-Aziz al-Jarbu, ex-imam van de grote moskee in Riyadh, de aanvallen van 11 september op de Verenigde Staten verdedigt. In zijn Handleiding over de verplichting om te emigreren van het Huis van Ongeloof naar het Huis van de Islam beroept hij zich op de Mardin-fatwa van Ibn Taymiyya. Daarna wordt sjeik al-Jarbu door de Saoedische autoriteiten gearresteerd. Een voorbeeld uit eigen land levert de latere moordenaar van Theo van Gogh. Mohammed Bouyeri vertaalt namelijk, met hulp van een vriend die klassiek Arabisch kent, een deel van een roemruchte fatwa van Ibn Taymiyya. Op 2 juli 2002 verschijnt op internet De verplichting van het doden van degene die de Profeet (sallallahu allaihie wa sallam) uitscheld (sic).
Hét voorbeeld van een oriëntalistische lezing van Ibn Taymiyya levert de Franse politicoloog en islamoloog Gilles Kepel. Hij voert 2002 in zijn Jihad, The Trail of Political Islam de term ‘jihadi-salafisme’ in om de hybride ideologie van internationale strijders in Afghanistan te typeren. Kepel volgt helaas kritiekloos de fundamentalistische lezingen van Ibn Taymiyya. Diens fatwa’s zouden oproepen tot de jihad tegen heersers die dezelfde principes hanteren als de Mongoolse vorsten. Zo legitimeert onze sjeikh ul-Islam uit de Middeleeuwen ook de strijd van jihadi-salafisten tegen de verdorven regimes van moderne farao’s. Een voorbeeld van eigen bodem staat in De radicaal-islamitische ideologie: Van Ibn Taymiyya tot Osama bin Laden uit 2004 van de inmiddels overleden professor Hans Jansen. Ook hij neemt de verkettering door Ibn Taymiyya tot uitgangspunt van een tot de islam bekeerde Mongoolse vorst die echter de shari’a niet oplegt aan zijn onderdanen.
Tot slot twee voorbeelden uit kringen van terrorismebestrijders. Het eerste is van de National Commission on Terrorist Attacks Upon the United States uit 2004. In The 9/11 Commission Reportwordt Ibn Taymiyya getypeerd als de Middeleeuwse bron van al-Qaida: Usama Bin Ladin and other Islamist terrorist leaders draw on a long tradition of extreme intolerance within one stream of Islam (a minority tradition), from at least Ibn Taimiyyah, through the founders of Wahhabism, through the Muslim Brotherhood, to Sayyid Qutb. De commissie is ondubbelzinnig in haar oordeel: It is not a position with which Americans can bargain or negotiate. With it there is no common ground – not even respect for life – on which to begin a dialogue. Mijn laatste voorbeeld komt uit Ideologie en strategie van het jihadisme van 2009. Deze uitgave van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding stelt: Taqiy [al-] Din Ibn Taymiya … heeft in zijn tijd verschillende aspecten van de jihad uitgewerkt. … Ibn Taymiyya vond dat de gewapende strijd ook is toegestaan tegen leden van de geloofsgemeenschap als zij de islamitische wet overtreden, met andere woorden tegen ‘afvallige regimes en moslims’. Zijn werk stond ook in het teken van de bestrijding van de innovatie van het geloof. Hij vond de islam in de tijd van de profeet en de eerste vier opvolgers, de vier rechtgeleide kaliefen, leidend. Ibn Taymiyya blijkt hier een sleutelfiguur voor het salafi-jihadisme dat de basis vormt voor de politieke ideologie van al-Qaida en voor de strategie van de Islamitische Staat.
Deze typering van Ibn Taymiyya staat echter op gespannen voet met instemmende verwijzingen naar diens geschriften in ondubbelzinige kritieken op al-Qaida en de IS. Een bekend voorbeeld is de indrukwekkende open brief uit september 2014 waarin meer dan 100 islamitische leiders en geleerden uit de hele soennitische wereld de misdadige jihad van de Islamitische Staat aan de kaak stellen. Het uitroepen van al-Baghdadi tot nieuwe kalief is duidelijk in strijd met de islamitische wet. Zij stellen dat de wijze waarop de IS-leiding de nobele Koran en de Soena van de Profeet hanteert om hun martelingen, moordpartijen, verketteringen en het misbruik van buitgemaakte vrouwen en meisjes te legitimeren volstrekt onrechtmatig en pervers is. Het feit dat orthodoxe tegenstanders van al-Qaida en de Islamitische Staat zich ook beroepen op Ibn Taymiyya doet de vraag ontstaan: moet deze moslimgeleerde beschouwd worden als een extremistische of als een orthodoxe moslim. Hieronder onderzoek ik deze kwestie met hulp van recente vertalingen en besprekingen van een selectie uit diens fatwa’s en teksten. Ik maak daarbij dankbaar gebruik van twee boeken verzorgd door Yahya Michot. Het eerste is: Ibn Taymiyya. Mardin. Hégire, fuite du péché et ‘demeure de l’Islam’ uit 2004 (2006 vertaald als Muslims under non-Muslim Rule). Het tweede is: Ibn Taymiyya. Against Extremisms uit 2012.
Islam als religie van de middenweg
Het is ondoenlijk en ook overbodig om hier fatwa’s uitvoerig te citeren en Ibn Taymiyya’s argumentaties te becommentariëren. Wel typeer ik zijn leer op basis van een studie van diens meest relevante fatwa’s en teksten. Tot mijn aanvankelijke verbazing komt uit een geduldige lezing van Ibn Taymiyya geschriften het beeld naar voren van een islamitisch geleerde die de soennitische islam verdedigt als de religie van de ‘via media’, van de middenweg. Hij zoekt voortdurend naar een balans tussen extremen. Om in kwesties die hem voorgelegd worden tot een evenwichtig oordeel te komen moet men volgens Ibn Taymiyya vooral op de hoede zijn voor een mechanische toepassing van algemene regels. Generalisatie leidt juist tot extremisme; elk geval is uniek. Zelfs ‘gezonde’ overleveringen omtrent de Profeet gelden alleen bij soortgelijke zaken. Ibn Taymiyya probeert bij zijn uitvaardiging van richtlijnen volgens de shari’a bovendien rekening te houden met de te verwachten gevolgen. Soms dreigt namelijk een moslimgemeente een te grote prijs te moeten betalen als zij een bepaalde zonde wil uitdrijven. Het is dan wijs om te kiezen voor het kleinere kwaad. Het bestraffen of het zich afkeren van de zondaar is niet altijd zinvol en daarmee vervalt ook de verplichting om dit te doen. Tot zover lijkt onze sjeich ul-islam eerder een pragmatische moefti dan de ‘godfather’ van het salafi-jihadisme.
De ‘middenweg’ van Ibn Taymiyya staat op gespannen voet met de geweldadige islamistische propaganda die zich beroept op zijn fatwa’s tegen de Mongolen. Vandaar dat we die kort bespreken, op de eerste plaats de Mardin fatwa. Mardin ligt tegenwoordig in Turkije aan de grens van Oost-Anatolië en Noord-Oost Syrië. Rond 1300 is het onder koning Ghazi II hoofdstad van een rijkje met een bevolking van meestal islamitische Arabieren, Koerden en Turkmenen én van christelijke Arameeërs. Het koninrijkje is feitelijk een protectoraat van de Mongoolse Ilkhans uit Perzië. Het Ilkhanidenrijk ontstaat nadat Hulagu Khan, een kleinzoon van Dzjengis Khan, met de verovering van Mesopotamië in 1258 een eind maakt aan het Abbassidenkalifaat van Bagdad. En in 1295 bekeren de Ilkhans zich van het Boeddhisme tot de Islam. In het Midden-Oosten zijn zij dé rivalen van de Mammelukkensultans in Caïro, voortkomend uit de militaire kaste van geïslamiseerde slaven, die over Egypte, de Hidjaz, de Levant en Syrië heersen. De fatwa is het antwoord op de hamvraag of Mardin in termen van de islamitische wet een ‘domein van islam en vrede’ is of een ‘domein van ongeloof en oorlog’. In het laatste geval geldt immers de verplichting van de hijra, van de migratie. Nogal wat fundamentalistische moslims vullen die verplichting tegenwoordig in als afkeuring en afkering van de ongelovigen, als vlucht in een aparte wereld van zuiverheid en in uiterste consequentie als migratie naar de Islamitische Staat waar de shari’a voluit zou heersen. Maar als we de Mardin-fatwa interpreteren met hulp van verwante teksten van Ibn Taymiyya blijkt hij die migratie-verplichting heel anders op te vatten.
Op de eerste plaats, bestaat er volgens hem voor moslims überhaupt nog de verplichting om te migreren? De Profeet heeft immers na de inname van Mekka gesteld: Geen migratie meer na de verovering … . Een bekende hadieth verklaart dat daden, zoals de hijra, beoordeeld worden naar hun intenties. Migreert een moslim vanwege God en zijn Boodschapper of migreert hij voor een vrouw of voor werelds goed? De bestemming van een migrant na de verovering van Mekka wordt volgens Ibn Taymiyya bepaald door de overlevering: De migrant (muhajir) is degene die vlucht voor hetgeen God heeft verboden. De ware migrant is dus niet degene die zijn land verlaat, maar hij die vlucht voor de zonde. Deze verplichting blijft gelden voor alle tijden en plaatsen. En als de Profeet zegt: De hijra wordt in geen geval gestaakt zolang de vijand nog bestreden moet betekent dit dat migratie begint met afkeer van de eigen zonde, met berouw dus. Migratie in geografische zin is vooral een bijzondere manifestatie van die innerlijke hervorming. Voor onze sjeich ul-Islam is de migratie van een mens van een plaats van ongeloof en ongehoorzaamheid naar een plaats van geloof en gehoorzaamheid als het hebben van berouw; deze verplichting blijft van kracht tot de Dag der Opstanding. De migratie van een moslim die een domein van de oorlog verlaat is daaraan verwant. Hij keert zich immers af van kwade daden en van de dienaren van het kwaad van wie het gezelschap schadelijk voor hem is. Opnieuw is voor Ibn Taymiyya het afwegen van de voors en tegens van de gevolgen noodzakelijk, risicovolle avonturen keurt hij juist af. Want ook deze verplichting tot migratie geldt slechts zolang er geen belangrijker redenen zijn om het gezelschap van verdorvenen te dulden. Vergelijk Soera 73 vers 10: En betracht dulding tegen wat zij zeggen en mijd hen op gepaste wijze.
Het domein van Mardin
De Mardin-fatwa bespreekt de kwestie of een moslimingezetene van deze stad verplicht is tot de hijra. Het gaat Ibn Taymiyya dus om een individuele persoon, hij richt zich hier niet tot de moslimgemeente. Centraal staat immers de meer of minder zondige natuur van ons eigen innerlijke domein die om een ommekeer vraagt. Zijn uiteenzetting van het migratievraagstuk is dus eerder ethisch dan politiek. Hij spreekt ook niet over een islamitisch regime, wel over de noodzaak van islamitische instituties; zijn benadering is dus religieus-juridisch. Met dit inzicht keren we terug naar onze hamvraag: hoort Mardin nu tot het ‘domein van de islam’ of tot het ‘domein van de ongelovigen’? Ibn Taymiyya’s antwoord voert een nieuwe categorie in, het domein van Mardin is ‘samengesteld’. Onze sjeich ul-islam blijkt dus niet zo’n verstokte salafist die elke vernieuwing van de shari’a afwijst, zoals vaak wordt beweerd. Ibn Taymiyya weigert Mardin te rekenen tot het ‘domein van oorlog’, want dat geldt alleen als haar ingezetenen ongelovigen zijn en dat is ondanks het multi-confessionele karakter van de stad niet het geval. Mardin hoort echter ook niet tot het ‘domein van de vrede’ want daarvoor moeten ook ’tong’, ‘hand’ en ‘bezittingen’ van de moslims in haar omgeving veilig zijn. Het lijkt er op dat de rol van Mardin als protectoraat van de Ilkhans, die bij hun invallen in Syrië oorlogsmisdaden begaan, haar de status van ‘domein van de vrede’ kost. Deze fatwa blijkt dus primair gericht op een fysieke en materiële veiligheid en op een persoonlijke ethiek.
Pas in zijn rechtstreeks anti-mongoolse fatwa’s neemt Ibn Taymiyya politiek en militair stelling en fundeert hij de jihad met het zwaard als verplichting. Hij is namelijk de belangrijkste woordvoerder van het verzet tegen de Mongoolse Ilkhan. Ik beperk me tot enkele bepalingen uit zijn langste anti-mongoolse fatwa van ± 1312. Deze is ook gericht tot die Syrische moslims die een machtsovername door de islamitische Ilkhan onontkoombaar achten en bereid zijn met het Tataarse leger te collaboreren. Ibn Taymiyya probeert ze te overtuigen dat die Mongoolse heerser zowel verkeert in een tijdperk van onwetendheid als van geloofsafval. Dat laatste houdt verband met de recente overgang van Ilkhan Öljaytu naar de sji’itische islam. De verplichting om de Mongolen te bestrijden baseert Ibn Taymiyya op zijn kennis van de actuele situatie enerzijds en op de nobele Koran, de soenna van de Profeet en de consensus van de grondleggers van de soennitische wetsscholen anderzijds. Hij benadrukt dat de Mongolen hun wet (de erecode die de gouden adelaar aan Dzjengis Khan zou hebben gegeven) nog steeds naast de islamitische wet hanteren. Ook stellen zij Dzjengiz Khan op één lijn met Jezus als Zoon van God en met de Profeet Mohammed. Een Ilkhan die beweert alle religies te respecteren maar tienduizenden moslimmannen laat doden, gevangenen gebruikt als schilden tijdens veldslagen en goederen, gronden én vrouwen tot buit neemt, lijkt op de farao waartegen de Koran bij herhaling waarschuwt. Ten opzichte van de Mongoolse Ilkhan is er dus wel sprake van een ‘domein van ongeloof en van oorlog’. Daarom kan hier het reeds geciteerd hadiethfragment worden voltooid: Geen migratie meer na de verovering(van Mekka), maar jihad en goede bedoelingen (blijven). En als je (tot de jihad) wordt geroepen, ga dan!
Het verschil in stellingname en in toon tussen de Mardin-fatwa en die anti-Mongoolse fatwa is duidelijk. In de eerste reageert Ibn Taymiyya op een ‘samengestelde’ situatie door individuele moslims tot inkeer te manen. In de laatste fatwa trekt onze Syrische sjeik alle registers open om zijn oordeel te onderstrepen dat de gewapende strijd tegen die bloeddorstige invallers die niet consequent de shari’a hanteren een collectieve verplichting is. Hij neemt in 1313 zelf ook deel aan een militaire campagne van de Mammelukken tegen de Tataren. Hij vecht niet alleen vanwege de genoemde religieuze motieven, patriottische sentimenten lijken evenzeer een rol te spelen. De soennitische islam moet verdedigd tegen het aanvallende sji’isme, maar tegelijk moet de Arabische hegemonie worden gehandhaafd tegenover Mongoolse, Perzische en Turkse pogingen om de macht in het Midden-Oosten aan zich te trekken.
Intern politiek quietisme
De afgelopen decennia is die anti-mongoolse fatwa nog gebruikt door radicale moslimbroeders, door al-Qaida en door de Islamitische Staat ter legitimatie van hun gewapende opstanden in enkele landen in het Midden-Oosten en in Afrika. Hun moslimheersers worden namelijk gelijkgesteld met die ongelovige en afvallige Mongolen. Maar niet alleen islamisten zien in Ibn Taymiyya de patroon van een niets ontziende jihad. Ook bij arabisten en terrorismebestrijders heeft hij aan de wieg gestaan van de takfir al-hakim. Het rapport Salafisme in Nederland uit 2006 van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding stelt op gezag van Hans Jansen: Hij (Ibn Taymiyya) beargumenteerde dat het geoorloofd is islamitische heersers te verketteren en tot afvalligen te verklaren als deze heersers de shari’a niet volledig toepasten. Op afvalligheid staat in de islam de doodstraf. Een opmerkelijke voetnoot verderop in dit rapport nuanceert dit tot ketter verklaren van moslimheersers: Ibn Taymiyya heeft echter alleen de vijanden van zijn meesters (de Mammelukken die heersten over Egypte en Syrië) verketterd. Van het verketteren van zijn meesters was geen sprake. Naar het waarom van deze coulante stellingname ten opzichte van de eigen sultans moeten we helaas gissen. Hans Jansen’s oratie ging hier een stapje verder: Het tweede probleem dat Ibn Taymiyya heeft, is dat ook zijn Mammelukse meesters in Egypte en Syrië niet altijd even precies de sharia toepasten. Maar, … , dat wordt ruimschoots goed gemaakt door de vrome ijver waarmee ze tegen afvallige moslims als de Mongolen van Ghazan oorlog hebben gevoerd. Door hun vrome ijver in de gewapende jihad zou Ibn Taymiyya dus kleinere tekortkomingen in hun levenswandel door de vingers zien. Dit is echter een drogreden, want de Mammelukkensultans, die voortkomen uit de militaire kaste van geïslamiseerde slaven, raadplegen weliswaar voortdurend de leiders van de oelama, de kaste van islamitische theologen en rechtsgeleerden, maar ze voeren toch een eigen beleid dat met vrome woorden het geldingsgebied van de islamitische wet flink inperkt. Opvallend is dat Hans Jansen in 1988 in zijn artikel Ibn Taymiyya and the Thirteenth Century: a Formative Period of Modern Muslim Radicalism wél wijst op het beslissende argument om de eigen heersers niet te verketteren, namelijk Ibn Taymiyya’s ondubbelzinnige veroordeling van tyrannenmoord om een verwoestende burgeroorlog te voorkomen. In zijn oratie ‘vergeet’ Jansen echter deze reden voor Ibn Taymiyya’s politiek quietisme ten opzichte van de eigen machthebbers. Onze sjeich ul-islam stelt echter: Zestig jaar onder een onrechtvaardige sultan zijn beter dan een nacht zonder sultan.
Er is bij Ibn Taymiyya dus een fundamenteel verschil in zijn houding ten aanzien van extern en intern onrecht. Een dreiging van buitenaf vraagt vaak om een strijdbare reactie ter verdediging van de islam. De erkenning van het gezag en van het morele kader van de bestaande orde is echter de voornaamste voorwaarde om de integriteit van het eigen land en het eigen rijk te handhaven. Ibn Taymiyya verwoordt dit duidelijk in zijn Kitab al-istiqaamah (Boek van de rechtschapenheid): Een van de fundamenten van de waarheid, waar de teksten bewijzen van leveren, is dat mensen met een tyrannieke en onrechtvaardige leider zijn gehouden geduld te tonen ten overstaan van zijn tyrannie, zijn onrechtvaardigheid, zijn onderdrukking en hem niet bevechten. De Profeet, dat God voor hem mag bidden en hem vrede schenkt, heeft zulks bevolen in meer dan één hadieth. Hij heeft absoluut niet toegestaan onrechtvaardigheid terug te dringen door te vechten (qital). Integendeel zelfs: gegeven dat vechten de bron is van tweedracht (fitna), verbood hij het terugdringen van onderdrukking op deze manier en riep hij op tot geduld. Dat wil overigens niet zeggen dat men steeds gehoorzaam en zwijgend het onrecht van heersers moet ondergaan. De Profeet heeft immers ook gezegd: Er is geen gehoorzaamheid aan enig schepsel in ongehoorzaamheid aan de Schepper. Bovendien zijn wij gehouden de waarheid te spreken, waar we ook zijn, zonder verwijten van anderen te vrezen. Volgens Ibn Hanbal en anderen heeft de Profeet gezegd: De meest nobele jihad is spreken van rechtvaardigheid tegenover een tyrannieke macht (Afdal al-jihad kalimat ‘adl ‘inda sultan ja’ir). Voor zijn publiekelijk spreken van de waarheid tegenover de macht werd Ibn Taymiyya diverse keren door Mammelukkensultans of hun gouverneurs gevangen gezet. In 1328 is hij zelfs in de gevangenis van de citadel van Damascus overleden.
Tot slot
Ik hoop aangetoond te hebben dat Ibn Taymiyya niet gezien kan worden als de patroon van het salafi-jihadisme, ondanks de beweringen van radicale moslims, oriëntalisten en terrorisme-bestrijders. Zijn fundering van de islam als de ‘middenweg’ is mede gebaseerd op de meerduidigheid van sleutelbegrippen als hijra en jihad in de Koran en in de overleveringen omtrent de Profeet Mohammed. Bovendien spreekt hij zich nogal kritisch uit tegen een absolute tweedeling in termen van goed versus kwaad bij personen, steden en staten. Daar waar onze sjeich ul-islam wel een tweedeling maakt, namelijk tussen een invasie van buitenaf en interne tyrannie, wordt deze juist ongedaan gemaakt door radicale moslims zoals Sayyid Qutb, bij Al-Qaïda en bij de Islamitische Staat. Voor hen zijn die ‘hypocriete en tyrannieke moslimheersers’ verdorven door de Westerse cultuur. Dus worden ze bestempeld tot marionetten van met name de USA, de grote Satan. Salafi-jihadis wanen zich volledig omgeven door een duistere wereld, zo vol onrecht en decadentie dat hun strijd tegen het rijk van het kwaad (het Westen en de afvalligen in het Midden-Oosten) gevoerd mag en moet worden buiten de normale morele regels om. De eindtijdstrijders van de Islamitische Staat geloven zelfs dat als ze moorden ze toch zuiver blijven. De legitimatie daartoe destilleren zij uit kortgesloten openbaringen uit de Koran, verknipt met fragmenten van overleveringen omtrent Mohammed. Zij denken zich zelfs als soldaten-martelaren te kunnen verzekeren van het paradijs. Deze primitieve gnostische denkfiguur van de beslissende strijd tussen zuiveren en afvalligen, van het transcendente licht versus de donkere wereld, biedt geen ruimte voor compromissen en twijfel aan eigen inzicht. Vandaar dat deze dualistische ideologie van de eindstrijd tendeert naar een ’totale oorlog’ die slechts kan resulteren in een complete triomf of dito ondergang. Op de titelpagina van hun glossy Dabiq 2 stond niet voor niets: It’s either the Islamic State or the Flood. Nu verklaart die tendens op zichzelf nog niet de dynamiek van de Islamitische Staat. Pas na de interventie in Irak door Bush en Blair kon een sji’ietische as ontstaan van Iran tot Hezbollah in Libanon. Hierdoor worden soennitische stammen en steden gemarginaliseerd. Zo ontstond een voedingsbodem voor al-Qaida in Irak en vervolgens voor ISIS en IS. Economisch gaven enorme subsidies uit sommige Golfstaten en later eigen olie-inkomsten de doorslag. Militair spelen hoge officieren en wapens uit het voormalige leger van Saddam Hoessein een hoofdrol in de Islamitische Staat. Haar ideologische tendens speelt in op de jeugdige overgave van duizenden ‘herboren moslims’ die hun bestemming denken te vinden in een niets ontziende jihad voor het kalifaat.
Door klassieke figuren als Ibn Taymiyya in rapporten van de overheid in één adem te noemen met al-Qaida en de Islamitische Staat wordt echter het fundamentele onderscheid tussen een orthodoxe en een extremistische soennitische islam diffuus. Omdat een discussie van soefisten met salafisten zelden zin heeft, blijft alleen een vrijzinnige Europese islam als alternatief over, maar die staat nog steeds in de kinderschoenen. Het geduldig gidsen van radicale jonge moslims naar de middenweg zal dus vooral van orthodoxe moslims moeten komen. Maar als die op één hoop worden gegooid met salafi-jihadisten kunnen ze hun rijke tradities niet goed inzetten. Ook kunnen jonge moslims zich dan niet schuren aan het klassieke ideaal van de hijra en de jihad zoals Ibn Taymiyya dat voorleefde en formuleerde.
* Deze tekst is geschreven voor en besproken op de conferentie Anders denken over radicalisering die eind oktober 2015 werd gehouden in het conferentiecentrum van Warnsveld. Deelnemers waren o.m. adviseurs aanpak radicalisering van grote gemeenten en van de Nationale Politie, beleidsmensen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigers van moskeeën en van moslimorganisaties en wetenschappelijke onderzoekers van jihadisme en terrorisme.
© Harrie Teunissen, Leiden, oktober 2015